Ir.
J. van Overeem ontwierp o.a. de pontonsecties
waaruit de caissons werden samengesteld. Voor de
Waalstuw werden 26 van die secties gebruikt,
waardoor een caisson van ca 230 meter lengte (zo
breed is de rivier ter plaatse), 9 meter hoogte en
30 meter breedte ontstond. Voor zowel Rijn als
IJssel waren 10 van die secties nodig. De benodigde
proeven werden genomen in het Waterloopkundig
Laboratorium in Delft, met een model op schaal 1:10
en met een enkele echte pontonsectie in de
schutsluis naast de stuw bij Lith aan de Maas. In
geval van oorlogs-dreiging moesten die caissons tot
zinken worden gebracht boven een geprepareerde
vlakke asfaltlaag in de rivierbodem. Ze pasten
precies tussen twee landhoofden, die via
pijlerdammen in verbinding stonden met de vaste
wal. Zowel de pijlerdammen als de caissons waren
voorzien van beweegbare kleppen die na het afzinken
systematisch moesten worden gesloten. Binnen het
jaar was dat project vrijwel gerealiseerd en werd
Plan D(eventer) toegevoegd: de stuw bij Olst. In
1953 was de complete IJssellinie in staat van
paraatheid.